Trompettist Ruud Kleiss: “Ik word heel blij van muziekmaken”

Trompettist Ruud Kleiss speelt al vanaf dag één in het CineMusic-orkest. En dat terwijl hij als jonge jongen eigenlijk op een Greenpeace-boot zeehonden wilde redden. Een gesprek over de trompet, filmmuziek en waarom hij voor een stuk zijn oordopjes klaar heeft liggen.

Je bent al vanaf het begin betrokken bij CineMusic. Hoe is dat zo gekomen?

“Ik ken Ruud Luttikhuizen (pianist en initiatiefnemer, red.) al heel lang. Toen hij samen met John van der Sluijs het idee voor CineMusic kreeg heeft hij mij er direct bij gevraagd. Het is zo leuk gebleken dat ik ben blijven hangen.”

Wat dacht je toen ze over het project begonnen?

” In eerste instantie was de opzet één concert in de Bullenkerk. Dat was al heel erg leuk, hoewel we in die tijd geplaagd werden door corona. Daarna kwam het verhaal dat we groter zouden gaan; naar de theaters. Ik dacht eerlijk gezegd: dat moeten we allemaal nog maar zien. Maar tot nu toe komt lukt het en wordt de show elke keer groter.”

Ben je juist zenuwachtiger in een grote of een kleine zaal?

“Hoe kleiner de zaal, hoe spannender ik het vaak vind. Ik speel ook wel eens filmmuziekconcerten met een klein ensemble voor maximaal tachtig man publiek. Als ik dan een foute noot speel, is dat voor iedereen meteen duidelijk. Dat maakt het zo persoonlijk, en daardoor ook veel spannender.”

Hoe was het optreden in het Concertgebouw afgelopen september?

“Als ik naar een klassiek concert ga, is het Concertgebouw het walhalla. Er hebben zo veel belangrijke mensen gespeeld, als je dat balkon ziet met al die namen van componisten… het is een soort magische zaal. Als jonge muzikant wilde ik er heel graag spelen, en die droom is in september uitgekomen.”

Hoe oud was je toen je voor het eerst muziek maakte?

“Ik ging op les toen ik zes jaar oud was. Mijn moeder speelt klarinet en zat bij de harmonie, dus ik ging op jonge leeftijd mee. Ik wilde eigenlijk drummen, maar de drumles was vrij ver weg en we hadden geen auto. Op de open dag van de muziekschool raakte ik gefascineerd door de trompet, en dat was het. Muziek zit wel echt in de familie: mijn opa’s speelden allebei een instrument, mijn vader heeft gitaar gespeeld, mijn broertje drums.”

Is trompet niet een moeilijk instrument om mee te beginnen?

“In mijn herinnering niet. Ik had ook gewoon een leuke docent, en als je het spelenderwijs doet gaat het makkelijker. Ik heb zelf ook trompetles gegeven en weet nu dat het je echt moet liggen. De embouchure, de spanning van je lippen, is een heel vreemd soort evenwicht: je moet genoeg spanning maken, maar ook niet te veel. Veel kinderen werken te hard met hun spieren. Maar bij mij klikte het gewoon.”

Oefende je trouw?

“Mijn moeder zegt: te weinig. We hadden een deal: ik hoefde niet af te wassen zolang ik maar ging oefenen. Ik ging vrij snel bij orkesten spelen op de muziekschool in ensembles, de bigband, het scholensymfonieorkest, de popworkshop, het harmonieorkest. Ik speelde heel veel. Op de middelbare school kwamen daar ook echte popbandjes bij. Er waren best veel kinderen die blaasinstrumenten speelden, dus je kon vrij makkelijk een blazerssectie in een bandje krijgen.”

Wanneer had je in de gaten dat je talent had?

“Dat weet ik eigenlijk niet zo goed. Het was ook helemaal niet de planning om iets met muziek te gaan doen. Ik heb netjes mijn vwo-diploma gehaald en ben een half jaar milieukunde gaan studeren, want ik wilde bij Greenpeace werken. In die bootjes varen en zeehondjes redden. Maar die studie klopte voor mij totaal niet. Ondertussen speelde ik in de ska-band . Op een gegeven moment stapten we in een busje voor een heel weekend muziek maken in Duitsland, en toen dacht ik: ik zit nu op die universiteit en dat is helemaal niks. De muziek is te gek. Daar moet ik wat mee gaan doen. Ik heb me voorbereid, toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium en ik werd toegelaten.”

Wat maakt muziek maken zo leuk?

“Ik word van muziek maken altijd heel erg blij. En het sociale aspect is natuurlijk ook geweldig: je werkt met een grote groep mensen aan een mooi product, om andere mensen blij te maken. Dat is het. Het is gewoon heel leuk.”

Wat maakt CineMusic specifiek zo bijzonder dat je er nog steeds bij zit?

“De orkestleden. Er is een heel leuke band ontstaan. Als we een paar dagen achter elkaar spelen, boeken we met een groepje een huisje en hebben we het hartstikke gezellig. De sfeer is heel goed, alles is netjes geregeld, we komen op leuke plekken en de muziek is te gek om te spelen.”

Wat is jouw favoriete stuk uit de show?

” How to Train Your Dragon. Ik vind die film echt te gek. De muziek sluit zo mooi aan bij alles wat er in beeld gebeurt. Op de een of andere manier raakt die film mij heel erg; de boodschap dat je verder moet kijken dan wat je op het eerste gezicht ziet. En de muziek is zo anders dan alles wat ik anders speel. Het slagwerk gaat helemaal los. Ze spelen met z’n drieën een snaredrum, het is gewoon keihard. Met de eerste keer dacht ik: au, mijn oren. Ik heb voor dat stuk altijd mijn oordopjes klaarliggen.”

Wat zou je met CineMusic nog willen bereiken?

“Wat mij heel gaaf lijkt is in het buitenland spelen. Dat heb ik met andere projecten best wel vaak gedaan, en het is altijd bijzonder om andere culturen tegen te komen. Ik denk dat in België en Duitsland ook mensen naar films kijken, en het concept daar zeker zou aanslaan. En ik heb ook een ander idee voor een openluchtconcert in de zomer, zoals je vroeger de drive-inbioscopen had. Ik zie het helemaal voor me op de Burcht in Zaandam, een enorm scherm en het orkest ervoor.”