Als kleine jongen begon hij te trommelen op een plankje, maar wanneer hij nu met het CineMusic Filmorkest optreedt, wordt hij omringd door pauken, conga’s en stokkentafels met minimaal 15 andere instrumenten. Slagwerker Floris van Tol vertelt hoe hij vanaf zijn plek op het toneel geniet.
Hoe ben je bij CineMusic terecht gekomen?
“Dat is eigenlijk een mooie samenloop van omstandigheden geweest. Ik gaf altijd al veel les en was daarnaast dirigent bij verschillende slagwerkgroepen. Dat deed ik al vanaf mijn conservatoriumtijd, omdat het als muzikant belangrijk is om meerdere inkomstenbronnen te hebben. Op een gegeven moment, toen onze jongste dochter negen was, begon het te kriebelen om weer wat meer te spelen naast het lesgeven. Ik wilde daar meer balans in vinden. Precies op dat moment werd ik gebeld door Ruud Luttikhuizen die op zoek was naar een slagwerker. Dat was een bijzondere timing. Hij had mijn nummer via trompettist Ruud Kleiss, met wie ik samen heb gestudeerd in Alkmaar. Die had hem aangeraden om mij eens te bellen. Zo ben ik vrij spontaan bij CineMusic terechtgekomen. Leuk detail is dat ik jaren geleden op het conservatorium les kreeg van de drummer van CineMusic, Mark Eshuis.”
Het orkest werkt met meerdere slagwerkers. Is dat gebruikelijk?
“Ja, dat is heel normaal. In grotere orkesten heb je vaak meerdere slagwerkers met verschillende rollen. Je hebt bijvoorbeeld een paukenist, een melodisch slagwerker en iemand voor het ongestemde slagwerk, zoals grote trom en bekkens.
Bij echt grote filmmuziekstukken, zoals bijvoorbeeld Pirates of the Caribbean, heb je soms zelfs nog meer mensen nodig. Daarom werken wij ook met een uitgebreide opstelling en hebben we veel instrumenten om ons heen staan.”
Jij bespeelt dus meer dan alleen pauken?
“Zeker. Dat is juist het leuke van dit vak. In het ene stuk heb je bijvoorbeeld een conga nodig, in het andere een shaker of bekkens. En soms wissel je zelfs binnen één nummer meerdere keren van instrument. Het is continu schakelen, en dat maakt het uitdagend en afwisselend.”
Hoe is jouw muzikale basis ontstaan?
“Ik was als kind eigenlijk altijd al met ritme bezig. Mijn ouders vertelden dat ik overal op trommelde en zelfs al meeliep op de maat van muziek van bijvoorbeeld een draaiorgel.
Op mijn achtste begon ik bij een drumband in Alkmaar. Mijn eerste trommelles kreeg ik van Peter van Suijlekom. Hij zou later mijn schoonvader worden; dat is altijd een leuke anekdote op feestjes. Toen ik twaalf was, mocht ik een keer achter een drumstel zitten, omdat een vriendje uit de klas dat ook deed. Dat was meteen raak. Vanaf dat moment ben ik daar niet meer mee gestopt.”
Kom je uit een muzikaal gezin?
“Niet echt, al was muziek wel aanwezig. Mijn opa hield enorm van muziek en ergens in de familie zit nog een professionele pianist, maar verder heb ik het vooral zelf ontwikkeld.
Mijn ouders hebben me wel altijd enorm gesteund. En met de buren had ik de afspraak dat ik tussen vier en zes uur ’s middags mocht oefenen. Dat vonden ze juist leuk: konden ze naar de muziek luisteren, terwijl zij stonden te koken.”
En hoe is dat nu in jouw eigen gezin?
“Het is altijd levendig en muzikaal. Mijn vrouw is dirigente van vier koren, geeft zang- en fluitlessen en werkt als (gespecialiseerd) gastouder voor onder andere kinderen met ASS en/of gedragsproblemen. Daarin gebruikt ze ook muziek als hulpmiddel. Ook onze eigen kinderen zijn alle zes met muziek of andere kunstvormen bezig: dans, saxofoon, cello, gitaar en altviool. Er is eigenlijk altijd wel muziek in huis. Dat hoort bij ons leven.”
Wanneer besloot je van muziek je beroep te maken?
“Dat ging niet heel vanzelfsprekend. Na de HAVO wist ik niet goed wat ik wilde. Ik had ook te maken met stotteren, waardoor ik opzag tegen opleidingen waarin je veel moest presenteren. Ik wees daardoor eigenlijk allerlei studies af, zonder dat mijn ouders meteen doorhadden waarom. Tot mijn moeder zei: zou muziek niet iets voor je zijn? Dat was voor mij echt een eyeopener. Ik had me niet gerealiseerd dat dat ook een serieuze studie of carrière kon zijn.
Docenten van het conservatorium raadden me aan eerst een jaar te nemen om me voor te bereiden. Ik heb in musicals gespeeld, bij een koor, en allerlei muziekstijlen verkend. Ook heb ik lessen gevolgd in algemene muzikale vorming, omdat ik bijvoorbeeld van blad zingen nog niet goed beheerste. Daarna heb ik auditie gedaan en ben ik aangenomen op het conservatorium in Alkmaar.”
Je combineert optreden met lesgeven. Hoe ziet dat eruit?
“Ik geef twee dagen per week les op een muziekschool in Heemskerk en ben dirigent van een slagwerkgroep in Limmen. Dat is een groep waarmee we zowel klassieke als populaire muziek spelen, met instrumenten zoals marimba, xylofoon en klokkenspel en het ongestemd slagwerk. Daarnaast drum ik bij één van de koren van mijn vrouw.
Ik speel veel, met CineMusic natuurlijk, maar ik doe ook veel invalwerk bij orkesten, musicals en andere ensembles.”
Wat maakt dit vak voor jou zo bijzonder?
“Voor mij is muziek echt een uitlaatklep. Het geeft rust en helpt me om alles even los te laten. Tegelijkertijd geeft muziek energie, vooral als ik zie dat mensen genieten van wat we doen. Dat moment waarop je merkt dat het publiek geraakt wordt, dat blijft bijzonder. Dat is uiteindelijk waar je het voor doet.”
Wat vind je het leukst aan spelen in het CineMusic Filmorkest?
“De combinatie van professionaliteit en gezelligheid. Alles is goed geregeld, er is een ontspannen sfeer, maar er wordt wel echt op hoog niveau gepresteerd. Dat maakt het heel prettig werken. Daarnaast is het gewoon een fijne groep mensen. Dat merk je in alles, zowel op het podium als daarbuiten.”
Heb je een favoriet stuk uit de show?
“Dat verschilt een beetje. Als ik kijk naar wat ik zelf speel, dan zijn ‘The Hunger Games’ en ‘How to Train Your Dragon’ favorieten. Daar ben ik technisch echt druk bezig, vooral met de pauken. Maar er zijn ook stukken waarin ik minder speel en juist kan genieten van wat er om me heen gebeurd. Ik zit dan als het ware op de eerste rij naar mijn collega’s te kijken. Dat is ook heel waardevol.”
In ‘100 jaar cinema’ gebruik je opvallend veel instrumenten. Hoe is dat ontstaan?
“Dat hebben we eigenlijk zelf bedacht. In de partij voor de slagwerkers stond oorspronkelijk niet zo veel, dus we dachten: misschien kunnen we het wat aankleden met een fluitje of iets dergelijks. Dat is helemaal uit de hand gelopen. Het werd een toeter, een ratel en nog veel meer. Uiteindelijk liggen er nu twee stokkentafels vol met allerlei instrumenten, en gebruik ik er zo’n vijftien tot twintig in dat stuk.”
Wat zou je nog willen bereiken met CineMusic?
“Ik zou het mooi vinden als het project nog meer bekendheid krijgt, ook internationaal. Bijvoorbeeld in Duitsland spelen lijkt me heel gaaf.”


