Allard Robert is eerste hoornist bij CineMusic. Zijn muzikale carrière begon al op jonge leeftijd toen zijn vader hem viool leerde spelen. “Maar de viool en ik zijn nooit vrienden geworden.” Nu speelt hij niet alleen hoorn, maar ook gitaar, piano en nog een aantal instrumenten. Een goed gesprek met deze multi-instrumentalist.
Wat is jouw rol binnen CineMusic?
“Ik ben eerste hoornist bij CineMusic. Dat doe ik nu zo’n twee à drie jaar, eigenlijk vanaf het moment dat het orkest in de grote bezetting ging spelen.”
Hoe ben jij destijds bij CineMusic terechtgekomen?
“Ik ben gevraagd door Henk Hummels, de dirigent. We kennen elkaar al heel lang uit de musicalwereld. In zijn ‘vorige leven’ was hij trombonist en zaten we samen in de orkestbak. Dat was eind jaren negentig, bij grote producties zoals Phantom of the Opera en Titanic. Toen Henk met CineMusic begon, nodigde hij een aantal mensen uit die hij kende uit die tijd.”
Was je meteen enthousiast toen hij je vroeg?
“Ja, eigenlijk wel. Ik wist natuurlijk nog niet precies wat CineMusic zou worden en hoe groot het zou groeien, maar filmmuziek is voor een hoornist heel dankbaar repertoire. Er zit veel koper in, veel expressie. Dus ik heb meteen ja gezegd.”
Wanneer begon jouw muzikale verhaal eigenlijk?
“Heel jong. Mijn vader gaf vioolles en wilde graag dat ik viool ging spelen. Dat heb ik ook twee jaar gedaan, maar de viool en ik zijn nooit echt vrienden geworden. Daarna heb ik pianoles gehad, maar eigenlijk wilde ik trompet spelen. Dat vonden mijn ouders geen goed idee. En toen kwam ik uit school en lag er ineens een hoorn op mijn bed. Ik was een jaar of acht.”
En toen was je verkocht?
“Ja, eigenlijk wel. Het was een kleine hoorn hoor, anders had ik ‘m niet eens kunnen tillen. Maar tussen mij en dat instrument klikte het meteen.”
Had je toen al het gevoel dat muziek je beroep zou worden?
“Niet heel bewust, maar het lag wel voor de hand. Mijn vader was muzikant, zijn vader ook – hij was stadsorganist in de Bavo in Haarlem – en mijn broer en zus gingen naar het conservatorium. Ik heb nooit serieus een andere studie overwogen. Al wilde ik heel even boswachter worden. Maar dat heeft niet doorgezet.”
Ging je al jong naar het conservatorium?
“Ja, op mijn dertiende ging ik naar de muziekhavo in Den Haag. Daar kreeg ik twee keer per week hoofdvak hoornles. Daarnaast had je piano als verplicht bijvak. In die jaren was ik vrij intensief met hoorn bezig, vooral in mijn puberteit.”
Toch zie je jou tegenwoordig ook vaak met andere instrumenten. Hoe zit dat?
“Dat is eigenlijk altijd zo geweest. Naast hoorn speelde ik in bandjes, had ik veel met popmuziek en schreef ik af en toe zelf muziek. Ik heb altijd gitaar en piano erbij gedaan. Op dit moment heb ik zelfs meer gitaren in huis dan hoorns. Ik denk zo’n twaalf gitaren en zes hoorns.”
Zie je jezelf als multi-instrumentalist?
“Ja, inmiddels durf ik dat wel te zeggen. Vroeger vond ik dat een groot woord, maar tegenwoordig word ik ook echt gevraagd om toetsen of gitaar te spelen. Ik heb tien jaar bij The Analogues gespeeld, daar combineerde ik hoorn met piano, percussie en zang. Die afwisseling vind ik heel leuk.”
Waarom heb je nooit gekozen om bijvoorbeeld gitaar of piano te studeren?
“Ik ben aangenomen voor hoorn op het conservatorium en dat bleek iets te zijn wat ik goed kon. Dat heb ik gewoon aangenomen. Mijn hoornleraar vond wel dat ik me daar volledig op moest richten. Popprojecten deed ik een beetje stiekem, want hij vond dat ik zes uur per dag moest studeren. Hij zei letterlijk dat ik als een monnik moest leven. Maar dat past niet bij mij.”
Is hoorn inderdaad zo’n lastig instrument?
“Ja, het is echt een moeilijk instrument. De noten liggen dicht bij elkaar, dus je speelt snel een foute noot. Met één greep kun je meerdere tonen maken. Je moet er constant veel tijd in stoppen om het instrument goed te kunnen bespelen. Soms is het is bijna sport. Lange noten oefenen, toonladders, conditie opbouwen. Als ik drie weken vakantie heb en niet speel, moet ik echt opnieuw beginnen.”
Zeker met CineMusic lijkt dat belangrijk.
“Absoluut. De programma’s zijn zwaar, met veel hoornpartijen. Dat is ook precies wat het zo leuk maakt, maar je moet wel in conditie zijn.”
Wat maakt CineMusic voor jou persoonlijk zo bijzonder?
“Het repertoire natuurlijk: al die filmmuziek, vol emotie en koper. Maar ook de mensen. Ik speel hier met veel oude bekenden uit de musicalwereld en van mijn studie. Het voelt als een hechte club. De sfeer is goed, gezellig, maar wel op hoog niveau.”
Heb je een favoriet stuk uit het huidige programma?
“Dat is lastig kiezen, maar ik ben een groot fan van John Williams. In dit programma vind ik Kuifje (Tintin) heel leuk. Het is technisch lastig en een echte uitdaging voor het orkest. Schindler’s List vind ik ook prachtig, al zit daar weinig hoorn in. Uit een vorig programma is The Jungle Book favoriet. Dat is pure nostalgie. Het was de eerste film die ik als kind in de bioscoop zag. De muziek is waanzinnig.”
Wat zou je met CineMusic nog graag willen bereiken?
“Meer shows. Misschien zelfs in het buitenland. We doen nu zo’n dertig concerten per jaar, vijftig zou ik ook prima vinden. Ik denk dat CineMusic daar zeker de potentie voor heeft.”
Tot slot: heb je zelf nog muzikale dromen?
“Ik wil vooral blijven spelen en veel afwisselen in muzieksoorten. Wat ik nu minder doe en graag weer meer zou willen, is kamermuziek maken. Kleine bezettingen, blazersensembles, hoorn met strijkers. Er is zoveel mooie muziek die te weinig klinkt. Dat lijkt me prachtig om weer meer te doen.”


